Uitvreter
Zaterdag jl. verscheen in Trouw een stuk waarin minister Jet Bussemaker stelt dat “te veel vrouwen teren op de zak van hun man”.
Volgens het NRC deden de uitspraken van de PvdA-minister veel stof opwaaien. Dat de reuring even over een ander onderwerp ging dan het strafbaar stellen van illegalen, of de gebrekkige zintuigen van de heer Weekers die heel lang niet gezien heeft wat anderen wel zagen, zal de regering niet onwelgevallig zijn, maar dat terzijde.
Mevrouw Bussemaker wil vrouwen “aanspreken”, -een modern woord voor kritiek geven-, en hoewel haar kritiek niet over mij gaat (als het om financiële (on)afhankelijkheid gaat), irriteerde haar toespraak me voldoende om erover te twitteren:
Er zijn vele punten om over te vallen, maar om er 2 te kiezen:
- “Teveel vrouwen teren op de zak van hun man”, aldus de minister. Haar uitspraak blaast het woord ‘uitvreter’ nieuw leven in, en nu in een vrouwelijke variant. Uitvreetster. Iemand die lanterfantend door het leven gaat en zich daarvoor laat betalen door iemand die werkt (lees: wel nuttig bezig is). Wat zullen veel vrouwen die niet fulltime werken zich daarin herkennen en blij zijn dat Jet hen de spiegel voorhoudt.
- En: “(-)vrouwen moeten ook af van dat eeuwige schuldgevoel over hun gezin. Ze zouden zich eerder schuldig moeten voelen over het feit dat de overheid zoveel in ze heeft geïnvesteerd,” aldus de minister. Wie zegt dat universitair geschoolde mensen vooral theoretisch en niet pragmatisch zijn? Hoe efficiënt van onze minister om vrouwen aan te spreken op schuldgevoel, aangezien ze daar toch al gevoelig voor bleken.
Dat de minister niet spreekt uit compassie met vrouwen die mogelijk een moeilijke toekomst (“regelrechte armoede”) tegemoet gaan als ze niet voor zichzelf kunnen zorgen na een scheiding, wordt des te meer duidelijk als ze wordt bijgevallen door haar oud-collega van Groen Links:
-> het draait om de centjes.
Houdt u van ons? vroeg ik in september 2012, toen de VVD en PvdA trachtten een adequate “vertaling te maken van hun onderwijsprestaties en onderwijsniveau” zodat hun staatssecretarissen- en ministerschap iets zou opleveren voor onze maatschappij.
Het antwoord is: nee.
Nee. Want u bent een kostenpost.
U moet niet denken dat u zomaar een beetje kan leven, want al vanaf uw geboorte kost u geld en investeert de maatschappij in u. (U dacht toch niet dat die consultatiebureaus van de lucht leven?) Dus wilt u als de donder zorgen dat u snel wat gaat doen waar u belasting over moet betalen, want de rest van wat u uitvreet (excusez le mot) heeft voor de overheid die zo in u investeert geen waarde. Ook niet als ze er zelf om vragen; mantelzorgen, vrijwilligerswerk, helpen op de scholen van uw kinderen, uw kinderen een beetje netjes opvoeden zodat ze de maatschappij geen extra centjes kosten – dat is alleen maar om uw schuld aan de staat een beetje te dempen.
Als u ooit twijfelt of u een kostenpost bent, kijk dan even of er een overheidscampagne op u is gericht. Zo ja: grote kans dat u er een bent.
Mocht u zich dan nog niet schuldig genoeg voelen, bel dan postbus 51 even om te vragen waar u allemaal in tekortschiet en hoe zinloos edoch geldverslindend uw leven is.
Alleen meten als je echt wilt weten
Begin maart schreef ik “Meer dan een score” over wat de Citotoets wel en niet meet. Niet lang daarna wees iemand me op dit krantenbericht:
Het maakt duidelijk dat testen niet (altijd) meten wat je weet.
Het zelfde geldt voor rapportcijfers: zij zijn regelmatig geen weerslag van wat een kind in huis heeft, maar een uitdrukking van of een kind binnen de gestelde tijd in staat en bereid was om dingen te leren en zelfstandig uit te voeren (Boekverslag niet ingeleverd? Een 1. Kan je kind dan geen Nederlands? Of heeft het moeite met plannen en opvolgen?)
Er komt een andere generatie aan. Wellicht krijgen zij meer gehoor dan Pink Floyd en wat zij probeerden uit te drukken met Another Brick in the Wall.
De video die onderaan dit bericht staat werd werd mij aangereikt.
Meet alleen als je echt wilt weten. Echt wilt weten wie je voor je hebt. En meet niet om te ontleden. Want zonder armen en benen, is het moeilijk om ergens handen en voeten aan te geven. Laat staan aan een positieve bijdrage aan deze wereld.
Achterberg – Risico
September 2011 nodigde ik mensen uit hun verhaal te delen en dit door mij ‘teruggespeeld’ te krijgen via een video.
Hier staat de uitnodiging.
Jon Zegerius, die mij sinds enige tijd volgt op Twitter deed een verzoek. Hij stuurde mij het gedicht ‘Risico’ geschreven door Gerrit Achterberg.
Zijn verhaal: Achterberg beschrijft hier zo fraai hoe hij zowel overdag als ‘s nachts gekweld en achtervolgd wordt door de stormen in zijn geest. Hoe zwaar het is om te leven tussen anderen. Ik herken dat goed van bijvoorbeeld mijn vader, uit mijn jeugd in een getraumatiseerd gezin. Er is meer over te zeggen, maar dit ongeveer.
Vandaag las ik over dit besluit van Staatssecretaris Dekker (onderwijs).
Onder het motto ‘transparantie’ wordt de suggestie gewekt dat er iets te ordenen valt, want als je lijsten met scores maakt heb je altijd een eerste en een laatste.
Op zich is er niets op tegen dat in de gaten wordt gehouden of scholen goed werk verrichten. De vraag is of we dat ‘goede werk’ dichterbij brengen door Citoscores van de kinderen die op de school zitten te publiceren en dus de illusie te wekken van onderlinge vergelijkbaarheid (goed-beter-best, slecht-slechter-slechtst). Scholen impliciet (want conclusies worden door ouders achter hun beeldscherm getrokken) afrekenbaar maken op de Citoscores van hun leerlingen, is net zoiets als werkgevers af te rekenen op de ziekteverzuimpercentages in hun bedrijf. Ja, ze hebben daar invloed op en nee, ze zijn niet overal verantwoordelijk voor. Als je werkgevers zou afrekenen op ziekteverzuim, denken ze wel drie keer na voor ze mensen die niet gezegend zijn met een sterk gestel in dienst nemen.
Het zou me dan ook niet verbazen als scholen binnenkort onder de vlag van allerlei bijzondere onderwijsvormen, wat zwakker ogende leerlingen of leerlingen die volgens de statistieken in een sociaal minder gunstig milieu leven, niet geschikt voor het ‘type onderwijs’ zullen gaan vinden en door willen sluizen naar scholen die niet zo gehaaid zijn om de zalmneusjes binnen te hengelen, of zich minder gelegen laten liggen aan Citoscores.
Citomania
Mooie term van een twitteraar (v) in mijn TL, toen ik over dit onderwerp tweette, omdat de beperking van ‘meten is weten’ helemaal zoek lijkt.
Mijn kinderen zijn door de jaren heen doodgegooid met Citotoetsen, mooi en eufemistisch ‘leerlingvolgsysteem’ genoemd. De 10-minutengesprekken worden gevuld met A tot en met E toetsuitslagen, grafieken en tabellen die je informeren of je kind op of onder het gemiddelde zit. En ja ook enkele scores over ‘sociale en emotionele ontwikkeling’. Maar die laatste scores vind je niet op websites van scholen of het ministerie.
De Citotoets wordt heel belangrijk gemaakt en dat heeft effect. Journaals (en niet alleen het Jeugdjournaal) berichten elk jaar weer dagenlang over De Citotoets als die wordt gemaakt. Wie wil, vindt lesstof voor jaren om zijn/haar kind ook buiten school voor te bereiden op het behalen van een hoge score.
De school van mijn kinderen was weken later dan andere scholen om de Cito Entreetoets (groep 7) af te nemen “om de kinderen de kans te geven nog wat langer te oefenen”. Wat bij een bezorgde ouder op de informatieavond de vraag deed opkomen: “Maar als het langer duurt voor we de uitslag hebben, hebben we dan nog wel lang genoeg de tijd voor bijlessen voor vakken waar ze minder goed op scoort?”
Ouders laten op sociale media weten over de spanning in huis rondom de Cito toets en twitteren de score van hun kind met de hashtag ‘trots’.
En zo diskwalificeren we ongemerkt al die kinderen die niet boven de 538 (havo-advies) uitkomen. Ook opgemerkt door een Trouw-lezeres die dit ingezonden stuk schreef:
Er is heel veel dat Cito niet meet.
Bij het laatste 10-minutengesprekje op school, waarbij de verschillende scores weer langskomen, zie ik een blad van een toets die mijn dochter ‘fout’ heeft gedaan (onvoldoende). Ze moest een zin afmaken, die ongeveer zo gaat:
“De route is bekend, we kunnen hem nu….” en dan moet ze de zin afmaken door een keuze te maken uit 4 woorden. Het juiste woord is ‘uitstippelen’ (vermoed ik), van de andere 3 heb ik er nog 1 onthouden, die mijn dochter heeft gekozen: ‘verschrompelen.’.
Als ik onderwijzer was zou het me opvallen, deze keuze, en zou ik haar vragen hoe ze bij haar keuze komt. Maar ja, ik hoef het niet te vragen, ik snap haar meteen: de route is al bekend, dus waarom zou je hem nog uitstippelen? Weg ermee, in de prullenbak, en omdat weggooien er niet tussen staat, heeft ze voor verschrompelen gekozen.
Toetsen dwingen je tot aanpassing. Tot je gedachten, verbeelding en logica conformeren aan de Citologica.
Dat er uniformiteit is in dit soort dingen, om de boel een beetje te kunnen monitoren, nou ja, dat is dan nog tot daaraan toe. Dat kinderen al vanaf de kleuterklas in dit systeem worden geduwd, vind ik pijnlijk.
Als we scholen dan ook nog eens dwingen hun ‘resultaten’ kenbaar te maken, uitsluitend op basis van Citoscores, doden we elke esprit in het onderwijs.
Zullen we niet gewoon ‘s een geluksmeter instellen, een creativiteitsmeter, een holismeweegschaal of whatever, om te zien hoe levend of dood kinderen van school komen?
Ik hoop dat er weer oog komt voor andere dingen, nadat we elkaar al marktwerkend kapot hebben gemeten.
Want ik zeg u, ik ben op veel dingen trots als het om mijn dochter gaat, maar de Citoscore komt op die lange lijst niet voor.
Hieronder een prachtige TedTalk die ook op mijn inspiratiepagina staat.
Onderzoek dat leidt tot een artikel of een boek
André Witbreuk en ik, Loes Wouterson, werkzaam als trainingsacteurs en (co)trainers, oprichters van de WWLA Opleiding Acteur in het Bedrijfsleven, en schrijvers van het boek “Trainingsacteren, een vak om van te leren“, zijn initiatiefnemers van dit onderzoek.
Door onze werkzaamheden horen we veel verhalen uit de praktijk, waaronder verhalen over de samenwerking tussen trainers en acteurs.
Of meer precies: acteurs over trainers, en trainers over acteurs. (We bedoelen steeds m/v – voor de leesbaarheid laten we die toevoeging m/v weg in de rest van de tekst).
Het is een unieke situatie: veel trainers en acteurs zijn gewend om de enige trainer of acteur te zijn in een trainingssituatie – er is (vaak) geen tweede trainer of acteur om met hun werk mee te kijken. Maar trainers en acteurs kijken wel met elkaars werk mee. Ze staan in dezelfde situatie, vanuit een ander perspectief en in een zekere mate van wederzijdse afhankelijkheid.
In die situatie, die soms eenmalig is en maar vier uur duurt, vormen trainer en acteur een beeld van elkaar en van de samenwerking.
Aanleiding
Toen we ons boek schreven over het vak trainingsacteren, kwam uiteraard ook de samenwerking met de trainer aan de orde. En hoe je die zo optimaal mogelijk kunt laten verlopen. Op dat moment merkten we al, hoeveel verhalen we konden uitwisselen over ervaringen met trainers en wat we van trainers hadden gehoord over acteurs met wie ze eerder hadden gewerkt. Dit ging over dingen die we zelf hadden meegemaakt of die anderen met ons hadden gedeeld.
Wat opviel, is dat er uitgesproken positieve verhalen waren: waarin trainer en acteur zo naadloos samenwerkten dat de verteller daar zichtbaar gelukkig over was. In veel van die gevallen zochten trainer en acteur elkaar graag op om vaker samen te werken, als dat kon worden georganiseerd.
En wat opviel was dat er uitgesproken negatieve verhalen waren: waarbij trainer of acteur besloten dat ze nooit meer met die ander wilden werken. Omdat veel van de samenwerkingsverbanden een incidenteel karakter kennen (bijvoorbeeld wanneer een trainersbureau een acteursbureau inschakelt), is het mogelijk om (met name tegen de acteur) te zeggen: voor jou 10 anderen.
De meeste trainers en acteurs willen graag het beste voor de deelnemers in de training, want dat is toch om wie het primair draait.
Uit de wisselende verhalen maken we op dat een goede samenwerking tussen trainer en acteur daarin cruciaal is om er een hele goede sessie van te maken (als de samenwerking ‘stroomt’) of op zijn best een sessie waarin niet teveel schade wordt aangericht (als de samenwerking niet loopt).
Alhoewel we in een vakgebied zitten waarin we het voortdurend hebben over communicatie, feedback, samenwerken en beïnvloeden, krijgen we de indruk dat de samenwerking trainer/acteur niet structureel op de agenda staat, terwijl die toch zoveel invloed heeft.
Doel
Wat we graag willen bereiken is dat we de mystiek van de goede samenwerking handen en voeten kunnen geven en de destructie van een slechte samenwerking kunnen voorkomen.
Met andere woorden: kunnen we goede samenwerking organiseren, ook als we denken dat het vooral om iets ongrijpbaars als ‘een klik hebben’ gaat? Kunnen we vertrouwen in elkaar organiseren, als we weten dat dat belangrijk is bij het samenwerken? Kunnen we uit verhalen van goede samenwerking iets leren wat voor iedereen behulpzaam is?
En kunnen we uit de slechte ervaringen, lessen trekken waar iedereen wat aan heeft, zodat je er in ieder geval in de aanloop naar de samenwerking of met een interventie tijdens de samenwerking, alles aan kunt doen om te voorkomen dat je op een negatieve ervaring afstevent.
Vraag aan jou als trainer of acteur in de trainingswereld
Jouw verhaal!
We horen heel graag concrete voorbeelden van jouw positieve en negatieve ervaringen in de samenwerking.
En wat je nodig hebt om goed te kunnen samenwerken.
Uit alle verhalen gaan we proberen een lijn te halen, een rode draad waaraan we concrete en praktische handvatten willen verbinden om tot een goede samenwerking te kunnen komen.
We zijn bezig om bij dat onderzoeks- en schrijfproces ook een trainer te betrekken.
Uit de verhalen die we tot nu toe hebben gehoord, door de tijd heen en de laatste weken sinds we concreet mensen bevragen, horen we de energie en bevlogenheid van mensen wanneer de samenwerking goed loopt. Acteur en trainer voelen zich beide gezien en sterk in hun werk en hun rol en tillen elkaar, de training en de deelnemers naar een hoger plan.
En we horen de pijn en beschadiging van de keren dat het niet zo is.
We willen heel graag delen wat we uit deze verhalen kunnen samenbrengen en opmaken in de vorm van een artikel of een boek, om niet alleen aan onszelf als trainers en acteurs, maar ook aan de buitenwereld (opdrachtgevers, deelnemers, opleidingsinstituten, acteurs- en trainingsbureaus) te laten zien, wat ons gezamenlijk vakmanschap is en hoeveel impact je kunt hebben als er sprake is van goede samenwerking. Die samenwerking willen we graag bevorderen met wat we in ons onderzoek tegenkomen.
We hebben een korte vragenlijst opgesteld, meer om je op ideeën te brengen over wat je zou kunnen delen, maar voel je vrij om je verhaal te doen, saaie of niet-inspirerende vragen over te slaan. Hoe meer concrete voorbeelden je kunt geven, hoe liever het ons is. Via loes @ wwla.nl kun je de vragenlijst opvragen.
Als je meewerkt, vragen we je of je het leuk vindt als we bij een “met dank aan” je naam en (eventuele) website vermelden. Eventuele quotes worden allemaal geanonimiseerd.
Hartelijke groet,
André Witbreuk, Loes Wouterson
www.wwla.nl
Een opvoedmethode die momenteel in zwang is (Triple P) ligt onder vuur. Zoals alles wat populair is, op enig moment kritisch wordt bekeken. Er gaat teveel geld heen. Het is te commercieel geworden. Het is niet bewezen dat het altijd werkt. Zo zeggen de criticasters.
En er is inhoudelijke kritiek. De methode is gericht op het belonen van goed gedrag. “De methode lijkt neutraal, maar de onderliggende waarden zijn zeer conservatief. Er wordt vooral ingezet op aanpassing aan gezag,” zegt hoogleraar pedagogiek Micha de Winter. “Puppytraining,” noemde hij het ooit. “Identiteitsvorming, hoe je je kind opvoedt tot kritisch burger, daarover wordt niet gesproken.”
In het krantenartikel (VK 22.12.2012) hekelt een moeder de beloningssystematiek: “Ik wil dat mijn dochter snapt waarom het belangrijk is dat ze huiswerk maakt. Dat ze intrinsiek gemotiveerd raakt. Ik ga mijn kind niet omkopen met beloningen.”
Ik dacht na over het belonen van gewenst gedrag (“puppytraining”) en intrinsieke motivatie (‘het hogere goed’?).
En of het zo is dat aanpassing mensen tot kritiekloze en gehoorzame mensen maakt.
Dat mijn kinderen intrinsiek gemotiveerd huiswerk maken, lijkt me heerlijk. En als ik dan toch intrinsieke motivatie mag wensen: dan graag ook voor het opruimen van hun kamer, goede lichamelijke verzorging, zonder problemen naar school gaan en hun talenten ontwikkelen. Dan breng ik langs de zijlijn de kritische noot wel aan. Ben ik goed in.
Dus daar zijn we het over eens. Intrinsieke motivatie: graag.
Ik denk dat menig manager, teamleider of andersoortige leidinggevende een moord doet voor intrinsiek gemotiveerde medewerkers. Bij wijze van spreken, dan.
Maar als mijn kinderen niet intrinsiek gemotiveerd zijn. Wat dan?
Wachten?
Om het maar even concreet te maken: mijn zoon had dusdanige ervaringen op school dat hij er niet meer heen wilde. Dus er ontstond druk van “het gezag”: de school, de leerplichtambtenaar. Die leidde niet tot intrinsieke motivatie bij mijn zoon, dat kan ik u vertellen. Met veel aandacht en liefde ben ik aan de slag gegaan om die motivatie te kweken. En om wat druk weg te halen. Andere school gezocht. Niet makkelijk in een stad waar wordt geloot voor plekken en tussentijds overstappen sterk is gereguleerd (lees: wordt ontmoedigd; Convenant Schoolwisselaarsbeleid VO-VO) Toch gelukt. Nieuwe school gevonden. Betere omgeving. En hij gaat – het grootste deel van de tijd.
En is hij nu intrinsiek gemotiveerd? Eh… nee. Begrijpt hij soms niet dat je school nodig hebt, zoals de hierboven geciteerde moeder suggereert (‘als ze maar snappen dat het belangrijk is dan gaan ze het wel doen’). Nee. Dat begrijpt hij prima.
Dus wat doe ik?
Wachten tot het heilige vuur van de intrinsieke motivatie ontbrandt en in de tussentijd onderduiken voor ‘het gezag’? Dan zou ik iets polariseren terwijl ik het ook goed vind dat mijn kind naar school gaat. Zelfs mijn kind vindt dat. Hij is alleen niet intrinsiek gemotiveerd… (lees: er is meer waar hij tegenop ziet dan waar hij naar vooruit ziet).
Een tijdje terug zag ik een boek langskomen over ‘uitstelgedrag’, (tevens de titel) ook wel procrastinatie genoemd. Kort door de bocht gaat het om uitstellen van gedrag waarvan we rationeel weten dat we er beter van worden. Uitstellen van lijnen, uitstellen van het schrijven van een scriptie, uitstellen van naar de sportschool gaan, uitstellen van stoppen met roken. Wie kent het niet?
Volgens de schrijver van het boek heeft uitstelgedrag een biologische basis. Bij besluitvorming zijn verschillende delen van onze hersenen actief. Vragen die direct voordeel opleveren, zoals de vraag “wat wil je drinken?” aan iemand die dorst heeft, activeren het primaire systeem, het limbisch systeem. Vragen over profijt in de toekomst, bijvoorbeeld wat het je later oplevert als je nu naar school gaat, activeren het secundaire systeem: de prefrontale cortex. De prefrontale cortex maakt het mogelijk te plannen en om verschillende uitkomsten te visualiseren. Hoe actiever dit deel, hoe geduldiger en minder impulsief we zijn. Het ontwikkelen van dat deel van de hersenen kost tijd en vele uren van geduldig ouderschap om kinderen te laten begrijpen dat ze op hun beurt moeten wachten, dat ze op een cadeau pas krijgen op hun verjaardag en het laatste blaadje voor die datum van de kalender is getrokken; en om ze te beschermen tegen schade die ze kunnen oplopen als ze toegeven aan verleidingen en impulsen, zoals drank, drugs, te hard rijden, onveilige seks, nachten doorhalen, spijbelen, en zo voort. Het limbische systeem richt zich op het hier en nu, neemt zonder moeite beslissingen. De prefrontale cortex is bedachtzamer, langzamer, kan meer complexiteit aan. En via het limbische, snelle systeem laten we ons makkelijk verleiden en afleiden van toekomstige doelen. Zitten we opeens te Facebooken of te Twitteren in plaats van die offerte af te schrijven. Staan we koffie te zetten in plaats van de belastingaangifte te doen. Eten we toch gezellig een stukje taart in plaats van te werken aan de zwembroek- en bikini-geschikte zomerlijn. Kopen we een flatscreen in plaats van een storting te doen op onze pensioenspaarrekening.

Om te doen wat op langere termijn goed voor ons is (zoals naar school gaan en huiswerk maken), moet je dus voortdurend de strijd aan met dat deel van je hersenen dat op kortetermijnbevrediging is gericht. Als je jong bent is het deel van je hersenen dat je helpt om met de lange termijn bezig te zijn nog niet volledig ontwikkeld. Jonge mensen hebben dus anderen nodig om te doen wat later goed voor ze is.
En er is iets waarin jonge mensen niet verschillen van oudere als het gaat om het temmen van de kortetermijngerichtheid, ongeacht de volwassenheid van de hersenen: beloningen helpen.
Het advies om met je uitstelgedrag om te gaan is namelijk om te erkennen dat je dat limbische systeem hebt, dat gevoelig is voor kortetermijnbeloningen, en niet de hopeloze strijd te voeren om je prefrontale cortex de alleenheerschappij te willen te geven. De crux is je prefrontale cortex te benutten om je limbische systeem tevreden te houden. Dat kun je doen door langetermijn taken in goed haalbare stukken te hakken en voor voldoende tussentijdse beloningen te zorgen. Dat kun je puppytraining noemen, het betekent alleen maar dat we erkennen dat we nog niet zover van dieren afstaan dat we zonder probleem altijd doen wat we (zeggen te) willen, zelfs niet als dat beter voor ons zou zijn en we het belang ervan begrijpen.
Terug naar intrinsieke motivatie, die – zo begrijp ik – hoger wordt aangeslagen dan de puppytraining lees: de extrinsieke motivatie.
Wanneer spreek je van intrinsieke motivatie?
Als mensen dingen ‘uit zichzelf’ doen?
Blijft de vraag, waar doen ze het voor?
Iemand die uit zichzelf een opleiding volgt, zet dat hoogstwaarschijnlijk op zijn CV. Dat doet hij niet voor zichzelf, want hij weet al dat hij die opleiding heeft gevolgd. Hij doet dat voor anderen.
Een topsporter die uit zichzelf op hoog niveau wil sporten, doet hoogstwaarschijnlijk mee aan wedstrijden. Hij traint niet om later videootjes van zichzelf terug te zien die hij in zijn eentje op een sportveldje of gymzaal heeft gemaakt.
Iemand die uit zichzelf viool leert spelen, doet dat hoogstwaarschijnlijk om op te treden, al is het maar een keer in zijn leven. Niet om alleen naar zichzelf te luisteren.
Kortom – volgens mij is er altijd een beloning. En dus altijd extrinsieke motivatie. Als er maar één getuige is van de inspanningen die je doet, is er motivatie die niet uitsluitend intrinsiek is. Je doet het om jezelf te laten zien, erkenning te krijgen, ergens deel van uit te maken, applaus te ontvangen, een plek te verwerven. Hele menselijke dingen. Met een belonend karakter.
Het enige verschil is, dat iemand die zogezegd intrinsiek gemotiveerd is (je hoeft hem niet achter zijn broek aan te zitten om de prestatie te behalen), zichzelf de uiteindelijke beloning voor ogen weet te houden.
En dat kan een puppy niet. Wist een puppy dat hij de liefde van zijn baasje verspeelt als hij overal op de grond plast en de meubels als knaagspeelgoed beschouwt, dan zou de pup zich vast wel inhouden, want het is niet in zijn belang om in een asiel terecht te komen. En omdat wij baasjes weten dat een verbanning naar het asiel niet is wat de pup uiteindelijk wil, helpen we de pup met beloningen om zich zo te gedragen dat hij kan doen wat hij graag wil: in een liefdevolle relatie met zijn baas verkeren, dag in dag uit.
Als een kind zich voor ogen kon houden dat hij problemen krijgt met het vinden van werk, met het verdienen van een inkomen, met het omgaan met regels die er altijd zullen zijn in welke vorm dan ook, dan zou hij zich naar school spoeden en zich suf leren. Omdat het niet zo is, vormen wij ouders zijn prefrontale cortex tot het moment dat hij het wel weet en zijn eigen belang goed kan behartigen. En hakken wij taken en verplichtingen voor onze kinderen in stukjes en belonen wij tussentijdse vorderingen, opdat het kind zich gesterkt weet tegen zijn eigen limbische systeem dat uitnodigt om impulsief en ongewild destructief te zijn.
Is dat dressuur en kinderen tot kritiekloze, aangepaste mensen maken? Dat moet dan maar. Eerst maar eens een plek verwerven van waaruit je met enig overzicht en inzicht mee kunt praten en serieus genomen wordt. Criticasters en tandeloze tijgers langs de zijlijn hebben we al genoeg. Het is maar weinigen gegeven volstrekt autonoom en onafhankelijk te zijn: zoveel hutjes op de hei worden er uiteindelijk niet bewoond.
Dus neem ik, al dan niet extrinsiek gemotiveerd, de taak op mij mijn zoon te leren zichzelf te belonen. En is hij nog altijd de baas over door welke beloning hij zich laat motiveren en welke niet. Ik speel zijn prefrontale cortex tot hij het stokje overneemt. Als ik me tenminste niet laat afleiden door de kortetermijnbeloning hem zijn gang te laten gaan.
Een blog geschreven. Op zondag. Was ik intrinsiek of extrinsiek gemotiveerd om dit te doen?
U mag het zeggen.
Een bijdrage
Vier mannen van de twee grootste partijen sinds de verkiezingen, zijn druk met elkaar in gesprek over hoe ons land moet worden bestuurd. Ik hoorde op de radio dat het allemaal “heel intelligente mannen” zijn, met “grote dossierkennis.”
Ze zullen spreken over het geld dat ze namens ons te besteden hebben. Over inkomsten en uitgaven. En ze zullen het hebben over ons. Over onze rechten. En nu het niet zo goed gaat met het geld vooral ook over onze plichten. Over dat wij een nuttige bijdrage moeten leveren.
En ik vroeg mij af of ze het ook zullen hebben over de vraag: Wat maakt een mens tot iemand met een bijdrage? (“Iedereen moet een bijdrage leveren,” aldus diverse politici in binnen- en buitenland)? Tot iemand die “meedoet.” (“We verwachten van iedereen dat hij of zijn meedoet,” aldus politici en bestuurders.)
Onze jongeren en onze ouderen
Afgelopen week volgde ik een opleiding. Ik kwam daar in gesprek met iemand over onze zoons. Jongens die niet in het schema vallen dat de Grote Gemene Deler (ik maak er maar even een personage van) voor ons heeft neergelegd: op je 12e in groep 8, dan naar het middelbaar onderwijs en meedoen. Jongens die op de vastgelegde meetmomenten (toetsen, dagen, tijden) niet de prestatie leveren die we het gemiddelde zijn gaan noemen.
Hoe kijken we tegen ze aan? Doen ze mee?
De opleiding die ik volgde is de basisopleiding Dementia Care Mapping. Een methode die door observatie het welbevinden van mensen met dementie zichtbaar maakt.
(Ik schrijf mensen met dementie en geen dementerenden. Christine Bryden, Australisch auteur en voormalig topambtenaar, die op haar 46e jaar zelf met dementie werd geconfronteerd, schreef daarover: “Noem ons alsjeblieft niet ‘dementerend’ – we zijn nog steeds mensen naast onze ziekte, we hebben een ziekte in onze hersenen. Als ik kanker had zou je ook niet tegen en over mij zeggen dat ik ‘kankerend’ was, toch?” (Dancing with dementia, Bryden, 2005, p43.)
Zes uur lang noteer je om de vijf minuten wat iemand doet (in de vorm van een code) en hoe iemands stemming en betrokkenheid op dat moment is (in de vorm van een cijfer).
Mensen met dementie verliezen steeds meer mogelijkheden om zelf vast te stellen waar ze zijn, wat de wereld om hen heen betekent en daardoor ook wie ze zijn. Om onze identiteit te ervaren hebben we herkenningspunten nodig, in onszelf en om ons heen. Iemand die in een verpleeghuis komt, is alles kwijt. Geen eigen huis. Nieuwe mensen om zich heen. Mensen met dementie raken ook het vermogen zich recent verleden te herinneren kwijt, dus nieuwe mensen zijn steeds opnieuw weer nieuwe mensen, nieuwe ruimtes blijven nieuwe ruimtes en bieden weinig herkenning. Wat blijft is gevoel, emotie, gewaarzijn of je je prettig voelt of niet, of je aangenaam bejegend wordt of niet. Wat het langst blijft, is het langetermijngeheugen, herinneringen aan vroeger. En wat blijft zijn de lichamelijke en de psychologische behoeften. Die blijven, al kan de persoon met dementie er niet meer over communiceren zoals hij of zij dat voor de ziekte kon.
Mogen zij nog een bijdrage leveren? Mogen zij nog meedoen?
De Dementia Care Mapper brengt gedurende zes uur in kaart wat de persoon met dementie meemaakt, vanuit het perspectief van de persoon met dementie. Wat is het gedrag (eten, drinken, interacteren, fysieke zorg, zelfzorg, lopen, creatieve expressie, ontspanning, reminiscentie, lichaamsoefening etc.) en wat is daarbij de stemming en de betrokkenheid (de mate waarbij de persoon is verbonden met mensen, activiteiten en dingen rondom hem of haar heen). En welke interacties rondom hem of haar droegen bij aan het gedrag en het welbevinden. We kunnen niet alles weten of zien, maar we doen als DCM-er een zeer serieuze poging, en testen onze onderlinge betrouwbaarheid.
Zo ligt er na de observatie door een DCM-er een klein, betekenisvol landschap dat in kaart is gebracht, dat zicht geeft op het welbevinden van de persoon met dementie en welke zaken daarmee verband houden. Zoals elementen uit de levensgeschiedenis van de persoon met dementie die meeresoneren in hoe de persoon nu de wereld om hem/haar heen probeert te begrijpen en wat hem/haar daarin geruststelt of juist niet. Lichamelijke ongemakken of comfort. Betekenisvolle interacties met anderen, die het welbevinden vergroten of verminderen.
Persoonzijn
Voor het welbevinden en het gevoel van identiteit, van persoonzijn heeft de persoon met dementie persoonsversterkende interacties met anderen nodig.
Persoonzijn is een begrip dat is gedefinieerd door Tom Kitwood, oprichter van de Bradford Dementia Group aan de Universiteit van Bradford en de grondlegger van DCM. Hij definieert persoonzijn als:
“Een aanzien of status die een persoon wordt toegekend door anderen in de context van relatie en sociaal zijn. Het houdt erkenning in, respect en vertrouwen.” (Kitwood, 1997)
Een belangrijke ontdekking die hij deed en die mede aanleiding is voor de DCM-methodiek is:
“Zowel het toekennen van persoonzijn als het niet toekennen ervan heeft gevolgen die empirisch te testen zijn.” (Kitwood, 1997)
Er zijn dus gedragingen in de omgeving van de persoon met dementie, die het persoonzijn van de persoon met dementie kunnen versterken of juist ondermijnen. Het gebeurt allemaal. Iedereen doet het. Zowel de persoonsversterkende als de persoonsondermijnende acties vinden plaats en allebei lang niet altijd bewust.
Ook in de zorg wordt gemeten. Nog lang niet overal met DCM, maar wel met de stopwatch en met behandelcodes die met financiering te maken hebben. Dat levert een taakgerichtheid op in de zorg, waarin persoonsversterkende acties geen vanzelfsprekende plaats hebben. Waarin welbevinden onderbelicht blijft en ondergeschikt wordt gemaakt aan roosters waarin eten, drinken, wassen en toiletbezoek (als er tijd voor is), en medisch handelen centraal staan. Niet omdat verzorgenden dat willen, maar omdat de mensen die het geld in ons land verdelen dat willen. Als je het ze rechtstreeks vraagt, zullen de vier intelligente mannen die vandaag onze budgetten verdelen niet zeggen dat ze vinden dat het welbevinden van mensen met dementie onbelangrijk is, vermoed ik. Het effect van de keuzes die ze maken en die mensen vóór hen op hun positie hebben gemaakt, is wel dat de focus ligt op geld en taak. Niet op mens en welbevinden. Dat belangrijk maken, moet je echt willen. En om dat te willen moet je een visie hebben en uitdragen door acties die je implementeert.
Er zijn maar weinig mensen in de zorg die voor het werk gekozen hebben omdat ze onverschillig staan tegenover mensen. Zij noemen juist vaak als een van de belangrijke redenen om voor dit werk te kiezen, dat zij het fijn vinden om mensen blij en gelukkig te maken, en hen zich goed te laten voelen ondanks hun ziekte.
Een DCM observatie kan helpen zichtbaar te maken op welke momenten dat lukt en niet lukt, en waarmee dat verband houdt.
Een ‘mapping’ laat ook dingen zien die niet opvallen. Bijvoorbeeld dat een geobserveerde bewoner met dementie in een verpleeghuis 60% van de tijd doorbrengt in passieve betrokkenheid (dat wil zeggen: zitten en toekijken zonder actief deel te nemen aan wat er gaande is) in neutrale stemming (dat wil zeggen: zonder tekenen van positieve of negatieve beleving of van betrokkenheid). Dat valt niet op. Pas als het in kaart wordt gebracht en het 60% van de tijd blijkt te zijn die deze persoon met dementie doorbrengt in passieve betrokkenheid en neutrale stemming, kunnen we met elkaar praten over of we dat een acceptabel percentage vinden. Of dat meedoen is. Of dat persoonzijn is zoals we dat graag willen.
De verzorgenden die daarin verandering kunnen brengen, zijn misschien niet de mensen die slagen voor de rekentoets. Het zijn wel de mensen die competent zijn om persoonsversterkende acties te kunnen uitvoeren.
Mijn bijdrage
Wanneer lever ik zelf een bijdrage?
Ik ben opgeleid als actrice. Dat ben ik nog steeds en ik heb er veel aan toegevoegd, door opleiding, training, ervaring op veel verschillende plekken. Zo ben ik in vele verpleeg- en verzorgingshuizen geweest, in verschillende hoedanigheden. Als actrice in regietheater of spiegeltheater, en als actrice in huiskamervoorstellingen voor ouderen met dementie. Als trainingsactrice in trainingen voor medewerkers. Als gesprekspartner in de begeleidingscommissie voor wetenschappelijk onderzoek naar het effect van de Vedermethode bij ouderen met geheugenproblematiek. Als trainer en coach voor medewerkers en leidinggevenden in de zorg.
En ben ik betrokken geraakt bij de zorg.
En zo ben ik in de opleiding DCM gestapt. Een prachtige methodiek waarmee op liefdevolle manier in kaart wordt gebracht wat een persoon met dementie op een dag meemaakt, hoe je daaraan betekenis kunt geven. En hoe je het gesprek kunt aangaan met de mensen die voor hen zorgen om zichtbaar te maken wat werkt en wat je kunt doen om nog meer bijdrage te leveren aan het welbevinden van de persoon met dementie. Belangrijk, want groter welbevinden betekent niet alleen meer persoonzijn. Het betekent ook minder onrust, minder verdriet en boosheid, minder interactieproblemen. En dus ook meer werkplezier en arbeidssatisfactie.
Voor de vier intelligente heren: dat betekent ook minder kosten (minder tijd die verloren gaat met ‘probleemgedrag’ van mensen met dementie, minder medicatie, minder ziekteverzuim bij verzorgenden die zich belast voelen door werk dat zwaar wordt als bewoners zich niet prettig voelen en niet goed gestemd zijn, minder verloop in de zorg en daarmee samenhangende kosten, enzovoort). Maar dat terzijde.
Ik denk een bijdrage te kunnen leveren als ik deze DCM-observaties kan doen. Als ik gesprekken kan aangaan over wat de zorg plezieriger kan maken. Als ik zorgverleners en hun teamleiders kan steunen om het welbevinden van bewoners te verhogen en we daarmee ook het werkplezier en voldoening in het werk vergroten.
Van betekenis
“Zowel het toekennen van persoonzijn als het niet toekennen ervan heeft gevolgen die empirisch te testen zijn.” (Kitwood, 1997)
Het persoonzijn versterken kan door warmte, respect, geborgenheid, aanpassen van tempo en hulp aan het individu, door mogelijk maken van betrokkenheid, door samenwerken, herkennen en erkennen, door de ander erbij te laten horen, zich thuis te laten voelen en door plezier.
Daar zijn geen examens voor.
De jongens waar mijn medecursiste en ik over spraken, zijn geen jongens binnen de door de Grote Gemene Deler gestelde tijd hun voldoendes voor Frans, Wiskunde en Maatschappijleer halen. Geen jongens die de vereiste graad van organisatie laten zien (tassen inpakken, agenda’s bijhouden) op het door anderen voorgeschreven tijdstip.
Doen zij mee? Leveren zij hun bijdrage?
Als we het hebben over hun vermogens warmte te geven, respect te tonen, plezier aan hun omgeving toe te voegen, vriendschappelijk te zijn, met verschillende soorten anderen om te gaan en hun tempo en manier van doen te accepteren en zich daarop aan te passen, ja, dan leveren ze hun bijdrage.
En dan is de vraag, vinden we dat belangrijk? Is dat een bijdrage? Is dat meedoen?
En mogen die jongens persoonzijn door hun eigen ontwikkeling door te maken? En is daar dan ruimte voor binnen de instituten die wij hebben gecreëerd om mensen ‘geschikt te maken’ voor de maatschappij? Gaan wij persoonsversterkend met ze om?
Ik rotzooi voor uw gevoel misschien alles door elkaar: jongeren, ouderen, zorg en onderwijs. Maar dat hoort bij mij. Alles heeft met alles te maken. Ik zie overal verbanden en verbindingen. Wij leven in een groot geheel en als we teveel in mootjes hakken, raakt alles verbrokkeld. En ik hou niet van stukjes. Ik hou van het geheel. Ik hou niet van stukjes kind. Ik hou van mijn kinderen. En in mijn geheel, leveren zij onbetwist een bijdrage. En doen zij mee. Wij moeten er alleen nog betekenis aan leren geven.
Meneer Kamp, Bos, Rutte en Samsom, houdt u van ons? Van alles van ons?
Versterk ons!
Een impressie van de boekpresentatie van het boek “Trainingsacteren, een vak om van te leren” van André Witbreuk en mij, tevens docenten aan de WWLA Opleiding Acteur m/v in het Bedrijfsleven.
De stilstaande beelden, in kleur (anders dan enkele stills van de video-opnamen), zijn gemaakt door Elly van Mensvoort.
Wat kan internet toch leuk zijn.
Op de laatste dag van de Olympische Spelen 2012 twittert @StevenGort dat hij met zijn zoon de basketbalfinale gaat bekijken.
Het roept herinneringen op. Basketbal, dat deed ik ook. In Hoofddorp. En aan een warme dag in Werkendam, waar we Nederlands Kampioen werden met een ploeg meiden die elkaar hadden gevonden in een stevig team. Zeker niet met allemaal lange meisjes, zoals je nu vaak ziet op de basketbalvelden. Ik was een van de kleinere meiden en moest het vooral hebben van het jagen op de bal, zodat anderen konden scoren. Rechtsvoor. Favoriete positie.
Zou ik nog ergens krantenknipsels hebben, of een vergeeld clubblad?
Op de bonnefooi zocht ik op google en zag dat mijn oude cluppie de moeite heeft genomen zijn lange geschiedenis op internet te zetten. “Waar blijft de(s)tijd(s)?” Mijn ogen glijden langs bekende, bijna uit het geheugen geglipte namen. En dan de foto van de kampioensmeisjes.
In een klap terug in de zeventiger jaren. Ik blijf daar nog even.
Nagenieten.
“Meisjes Pupillen-A Nederlands Kampioen”


















